Jeneverbes (Juniperus communis) is het kleine blauwe besje waar onze jenever zijn naam aan dankt. Lang voordat het een beroemde drank op smaak bracht, was jeneverbes een bekende struik op de Nederlandse heidevelden.

De plant groeit in het wild in Scandinavië, Noord-Europa, Noord-Azië en Canada, en wordt ook geteeld in landen als Italië, Frankrijk, Oostenrijk, Spanje, Duitsland, Servië, Tsjechië en Slowakije.

Om te distilleren kun je de bessen, het hout en de naaldbladeren gebruiken. Stoomdistillatie geeft een heldere tot lichtgele, zeer vloeibare olie met een frisse, houtige en balsamische geur. De belangrijkste bestanddelen zijn terpenen zoals pineen, limoneen en sabineen, samen met cedrol, dat een zachte, houtige diepte toevoegt.

De bessen zijn het hart van het distilleren van jeneverbes. Ze hebben een wasachtig, zilverachtig laagje en houden hun aroma binnen. Kneus ze licht voordat ze in de korf gaan, bijvoorbeeld met een deegroller of in een vijzel. Zo gaan de bessen open en bereikt de stoom de olie, zonder dat er een pasta ontstaat die de stoom blokkeert.

Je kunt de bessen combineren met een handje naalden en kleine stukjes hout voor een groener, harsachtiger karakter. De bessen kunnen er tot twee of drie jaar over doen om van groen naar blauw te kleuren, dus je ziet vaak beide kleuren aan dezelfde struik.

Heb jij ooit vers gekneusde jeneverbessen geroken? Het is een van de verrassendste geuren die een kleine ketel kan geven.